Archief

Blauwe ogen

Blue Eyed Whites

Dit artikel werd geschreven door Andrew Merriwether, Ph.D., en Ann M. Merriwether, Ph.D.,
Binghamton University USA, Nyala Farm Alpacas
Vrij vertaald door: Alpacahof.

Er is veel onduidelijkheid en geheimzinnigheid rondom de discussie of men Blauw Ogige Witte alpaca’s (BOW’s) wel of niet in het fokprogramma moet opnemen.
Blauw Ogige Witte alpaca’s zijn geheel witte alpaca’s met blauwe ogen die vaak (maar niet altijd) doof zijn.
Bij een aantal Amerikaanse fokkers is de discussie ontstaan over het uitsluiten van deze BOW’s van het fokprogramma. Dit laat zien hoe weinig men af weet of hoe verkeerd men geïnformeerd is over dit onderwerp.

In dit artikel wordt ingegaan op de genetische achtergronden van de BOW’s voor zover die bekend zijn. De onderzoeken waren beperkt omdat sommige alpacafokkers liever verzwijgen dat hun dekhengst of fokmerrie ooit voor een BOW nakomeling heeft gezorgd. Er zijn ook maar weinig BOW’s in het ARI geregistreerd (en als ze dat wel zijn dan staan er meestal Wit en geen BOW).

gespot in Zwitserland

gespot in Zwitserland

Om het ontstaan van een BOW te begrijpen is een klein beetje kennis van de genetische achtergrond noodzakelijk. De genetische code voor het uiterlijk van het dier heet het Fenotype en die van het genenpakket heet het Genotype.

Alpaca’s hebben 74 chromosomen of wel 37 paar. En hoewel chromozomen altijd in paren komen is zo’n paar niet altijd identiek aan elkaar. Het verschil tussen twee chromosomen wordt veroorzaakt als het een genenpaar bevat die van elkaar verschillen. Die genenparen bevinden zich op de chromosomen op bepaalde plekken. Zo’n variant van een gen noemen we een ‘allel’. Het ‘white-spot-gene’ is een gen (allel) die, op zijn beurt, ook weer vele varianten kent (aldus dr.Sponnenberg).

In die allel varianten zit ook het ‘white-spot’ dat zich overal op het dier kan bevinden, zoals een wit gezicht, tuxedo (het patroon van grijs dier in een smokingjasje), witte benen, bonte dieren enzovoort. Het ‘white-spot-gene’ is waarschijnlijk ook verantwoordelijk voor de bruingrijs gespikkelde, de grijze en de bonte alpaca’s. Deze verschillende fenotypen zijn veroorzaakt door ‘dominante’ allelen.
Als beide ouders zo’n white-spot (dominant) gen bezitten zullen zij dit doorgeven aan hun afstammelingen. Het resultaat kan een BOW zijn, of een veulen dat niet levensvatbaar is. De Australische bioloog Elizabeth Paul stelt zelfs dat grijs met grijs een fatale combinatie is die veelal eindigt in een abortus.

Het lijkt erop dat BOW’s verschijnen als een veulen een white-spot allel en/of een grijsbruin gespikkeld allel meekrijgt van beide ouders.
Om te zien wat de mogelijke uitkomt is volgen hieronder een aantal fokcombinaties.

Een zwarte merrie met een wit gezicht X een eenkleurig zwarte hengst:
50% van de nakomelingen zal zwart met een wit gezicht zijn en 50% zal geheel zwart zijn. Echter, als beide ouders een white-spot-allel hebben dan zullen de veulens die de twee dominante allelen meekrijgen BOW’s zijn.

Een zwarte merrie met een wit gezicht X een zilvergrijze hengst.
De kans wordt: 25% BOW, 25% grijs, 25% zwart met wit gezicht en 25% eenkleurig.

Het is belangrijk te weten dat sommige geheel witte dieren drager zijn van het white-spot allel en derhalve witte vlekken op hun lichaam hebben die niet te zien zijn. Het is dus altijd mogelijk dat elk geheel wit dier dat gekruist wordt door een grijs dier een BOW kan geven. Het gebeurt ook dat een dier een piepklein wit plekje op z’n lichaam heeft dat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien, zoals een wit vlekje tussen de tenen.

De vraag blijft wat er gebeurt als je fokt met een BOW.
Kun je die in je fokprogramma gebruiken? Als al het bovengenoemde juist is zou het betekenen dat een BOW altijd een white-spot allel of een grijsbruin gespikkeld allel zal doorgeven.
Daarom als je BOW fokt met een eenkleurig dier zul je geen BOW-veulens krijgen. Maar de veulens kunnen wel het white-spot of een grijsbruin gespikkelde tekening hebben.

Bijvoorbeeld: een kruising tussen een BOW merrie en een eenkleurige zwarte hengst geeft 50% kans op een wit gezicht en 50% kans op grijs. Maar geen BOW’s. Onthoud wel dat de eenkleurige of geheel witte veulens uit deze combinatie het white-spot-gene kunnen verbergen.

Wat veroorzaakt een BOW fenotype?
Het antwoord is gebaseerd op veronderstellingen van wat we weten over andere diersoorten. We weten dat de kleur van haar, huid en ogen wordt bepaald door de aanwezigheid van Melanine in het weefsel. Melanine zijn bruine tot zwarte korreltjes die het pigment vormen waaraan huid, haren en ogen hun kleur ontlenen.
Via het centrale zenuwstelsel wordt Melanine door het lichaam verspreid tijdens het embryonale stadium. Melanine speelt ook een belangrijke rol bij de vorming van het ‘slakkenhuis’ van het binnenoor. Als de Melanine het slakkenhuis niet bereikt sterven de gehoorcellen waardoor het veulen doof zal zijn. Op dezelfde manier gaat het als deze pigmentcellen de cellen die de ogen zullen vormen niet bereiken wat tot blauwe ogen leidt.

Een white-spot allel kan (maar hoeft dus niet) voor te komen bij bruingrijs gespikkeld, grijze- en bonte fenotypen. Veel grijze alpaca’s hebben een wit gezicht (veel hebben een smokingjasjespatroon, witte benen of andere patronen). Een enkele keer hebben grijze alpaca’s helemaal geen witte delen of vlekken en het is niet bekend of zij BOW’s kunnen voortbrengen. Het wordt daardoor ook niet uitgesloten dat het white-spot gen en het gen dat bruingrijs gespikkeld geeft, niet dezelfde zijn. Het ligt wel voor de hand dat beide gen’s vlak bij elkaar liggen op dezelfde chromozoom. Ze zijn zo met elkaar verbonden dat de allelen van deze twee genen ervoor zorgen dat ze samen werken. Een grijze alpaca heeft daarom in de meeste gevallen een wit gezicht.

Een enkele keer vindt er tijdens de celdeling een recombinatie (hergroepering) plaats. Dan worden het grijze allel en het white-spot allel gescheiden van elkaar met als resultaat de zeldzame totaal grijze alpaca (dus zonder wit). Dit verschijnsel moet nog nader worden onderzocht.

Terug naar het risico van het white-spot allel en de bruingrijs gespikkelde dieren in een fokprogramma. Een BOW zal niet ook een BOW voortbrengen zolang er niet gefokt wordt met bruingrijs gespikkeld, bont of andere white-spot allel dieren.
Om in een fokprogramma de kans op BOW’s geheel uit te sluiten, zouden we ook geen grijze, bonte of white-spot alpaca’s moeten gebruiken. Dan blijft over een flink aantal witte dieren die wel drager zouden kunnen zijn van het white-spot allel maar waarvan we het niet kunnen zien.

Mijn visie is dat ik liever geen dekhengsten gebruik met het white-spot gen omdat hun nakomelingen met het white-spot meer risico’s geven in een fokprogramma. Dit risico is dat ze met een grijze of een witte gekruist worden. Persoonlijk heb ik er geen enkel probleem mee om in mijn fokprogramma dieren met witte gezichten of grijze alpaca’s te gebruiken. Zolang deze dieren maar met een totaal eenkleurige dier worden gekruist is er 50% kans op eenkleurige veulens en 50% kans op veulens met een white-spot gen.
Grijze dieren zijn erg populair; kruis hen alleen met een eenkleurig, niet wit dier als je niet het risico van BOW’s wilt lopen.

Het is aan de fokker om te beslissen hoe zijn fokprogramma eruit ziet. Zelf zou ik zonder enig probleem een BOW merrie kruisen met een eenkleurige niet witte hengst. Maar een BOW hengst zou ik niet gebruiken. Met het uitsluiten van BOW’s in een fokprogramma verwijdert men twee voorbeelden van het white-spot gen uit de genenpool. Als we dan ook nog de grijze dieren en die met een white-spot gen uitsluiten blijkt dat het totale effect op de gehele Noord Amerikaanse genenpool minimaal is.

gespot in Drente, dromedaris met blauwe ogen

gespot in Drente, dromedaris met blauwe ogen